zondag 18 juni 2017

KLEMVAST

De man is dik. En op leeftijd. Zijn forse buik zwabbert bij elke stap heen en weer. Hangt over zijn te kleine, krappe rode zwembroekje. Om zijn hals een gouden schakelketting. Op zijn kop een jeugdig wit petje. Onder zijn linkeroksel een vrouwtje. Zij zit klemvast. Probeert zo goed en zo kwaad als 't gaat in zijn tempo mee te lopen, wat niet meevalt op dat zachte zand in de branding. Hun voeten zakken bij elke stap diep weg.
Als hij iets ziet op zee, draait hij naar rechts en neemt haar in zijn beweging mee. Met zijn grote, vierkante hand wijst hij naar 'n jacht dat passeert. Ze zegt niks en kijkt de andere kant op. Als hij uitgekeken is, draait hij weer ietsje terug naar links en hervat de wandeling.
Stijfjes loopt ze mee, probeert los te komen, zet even 'n stapje naar links en draait zich een heel klein beetje van hem af. Hij verstevigt zijn greep en loopt gestaag door. Ze past zich direct aan aan zijn tempo, althans, ze doet haar best.  Het gaat haar moeilijk af, zijn stappen zijn voor haar veel te groot.
Na zo'n tien meter blijven ze weer staan omdat hij iets in zee ziet. Aandachtig tuurt hij in de verte. Daardoor lukt het haar zich onder zijn oksel vandaan te wurmen. Alsof ze onder een te laag poortje doorloopt, zo beweegt ze zich. Ze gaat ietsje door de knieen en draait zich van hem af. Zo floept ze onder hem vandaan. Los! Opluchting maakt zich van mij meester.  Ik voel me plaatsvervangend bevrijd. De man doet alsof hij het niet opmerkt, blijft naar een paar zwemmers in de verte kijken. En zij... zij weet niet wat te doen met haar vrijheid en blijft staan. Vlakbij hem. Met hangende schoudertjes en een gebogen kopje. De wind speelt met haar donkerblonde halflange haar. Ze is meisjesachtig tenger en draagt een zwarte bikini. Hij doet achterwaarts een stap in haar richting, blijft onderwijl naar de zee kijken en maait met zijn arm om haar heen. Beet. Willoos voegt ze zich. Zo lopen ze verder langs de branding tot ze uit zicht zijn.

zaterdag 10 juni 2017

DOMUS DE MARIA

Het huis van Maria. Zo heet het hier. Domus de Maria. Het is een dorp in de bergen van Zuid-Sardinie en het telt nog geen 1700 inwoners. In de 17de eeuw werd het dorp gesticht door een aantal gezinnen dat zich had aangesloten bij een Piaster: een geestelijke die zorgde voor onderwijs voor iedereen, ook voor mensen uit de lagere sociale klasse. Heel sociaal en dat is terug te vinden in de omgangsvormen hier in het dorp. Het is hier vredig. En heel erg gelovig.
Domus de Maria ligt bij Chia. Dat is een streek die bestaat uit een reeks van prachtige witte strandjes. Bounty-strandjes noem ik het, wit-goud zand waar de golven van de azuurblauwe zee op stukslaan. Er zijn veel fraaie boetiek-hotels in Chia en grote huizen met oogstrelende tuinen, dure maar ook minder dure supermarkten en er is een aantal puike restaurantjes. Fruitstalletjes langs de weg, waar ze ondermeer de fameuze verse vijgen van deze streek verkopen.
Voor toeristen, zoals mijn man en ik, is het in Chia hemels. Maar wij verblijven niet in Chia, wij wonen er - tijdelijk - vlakbij, in Domus de Maria, lekker tussen de lokale mensen in. In een fraai appartementje met een groot terras vol potten met bloeiende planten. We huren het van Teressa Flores.
Vorige week, we waren hier nog maar net,  vielen we met ons neus in de boter: Domus vierde feest. De feestweek werd ingeluid op vrijdag-avond met prachtige, wat klaaglijk gezongen liederen, begeleid door een gitarist die speelde als een flamenco-gitarist, maar dan zachter, minder heftig. Verwonderd luisterden we op het dorpspleintje naar de vier mannen in pak die ombeurten een stuk uit een lied zongen. Pas later begrepen we wat het was, we vonden het op internet. Gezongen gedichten. Vanaf zaterdag tot en met woensdag was er elke dag processie van de kerk in Domus naar de kerk in Chia. En de dag erna vice versa. Prachtig om te zien: een stoet van dorpsbewoners gekleed in Sardijnse klederdracht loopt door de bergen, tientallen mensen, jong en oud, man en vrouw, voor een grote prachtig opgetuigde ossenkar uit. De twee grote bruine ossen ook prachtig opgetuigd met bloemen en slingers. Op de kar een beeld van de beschermheilige, onder een glazen stolp. Onderweg strooien de processie-gangers met Mirre-takken en verse bloemen. De hele weg ligt ermee bezaaid en het ruikt verrukkelijk.  De processie eindigt met een korte mis in de kerk, waar eerst het beeld is binnengebracht door een paar mannelijke processie-gangers.
Daarna gaan de processie-gangers naar huis, verkleden zich. De jonge vrouwen weer in spijkerbroek en mini-rok, hopla, linea recta door naar het dorpscentrum, waar feest wordt gevierd. Bandjes op het plein, lekker eten, snoeperijen, wijn en koud bier.
We wonen hier pal naast het gemeentehuis waarin ook de politie is gevestigd.  Soms gaat er in het gemeentehuis een deur open, of een raam. En weer dicht. Dat is het enige teken van leven dat de ambtenaren hier laten zien.  Recht tegenover het gemeentehuis, waar publieke voorzieningen zijn zoals een school en een sporthal (een immens grote tent waarin het opvallend koel is) ligt een pleintje voor de zaterdag-markt.
Naast het gemeentehuis is een cafe waar mijn man en ik elke ochtend elk twee cappo'tjes drinken. Vanochtend gaan we eerst boodschapjes halen op de markt. Vers fruit, verse groenten en plakken vis slaan we in. Alles ziet er hier even smakelijk, vers en mooi uit. Het is weer moeilijk kiezen. Daarna nemen we plaats op het terras van het cafe. In de schaduw kletsen we wat over ditjes en datjes, lachen om de brutale mus die telkens, zodra wij plaatsnemen, een potje komt schetteren en tieren. 'Die kleine met z'n grote snavel zegt dat we wat kruimels van onze koekjes moeten laten liggen voor hem.' We slurpen van onze koffie en kruimelen met de koek. Onderwijl kijken we naar de lokale bewoners die hier ook komen koffie-drinken. Een groep wielrenners strijkt neer. Klikklakkend op hun wielren-schoentjes, gestroomlijnde helmpjes op hun kop, uitbundige felgekleurde pakjes aan hun tanige lijven, stapt het groepje naar binnen. Even een espresso'tje drinken, plassen en daar gaan ze weer. Op hun snelle fietsen, de hete bergen weer in: de bikkels. Ook wij vertrekken. Zodra we opstaan, springt de mus van het muurtje en pikt de vloer onder onze stoelen schoon.
Omdat het vandaag erg warm is, besluiten we rustig aan te doen. We kuieren wat door het dorp, begluurd door bewoners die hun tuintjes bijhouden of door vrouwen die onderweg met elkaar staan te kletsen. Ik bedenk dat ik een schrift wil kopen. 'Ik ga zo even naar die kiosk, die naast de Bank de Sardegna, okay.' 'Prima, Venus,  maar ik moet echt even naar de kapper hoor. Mijn haar zit voor geen meter.' 'Bella.' Niks leukers dan met hem mee gaan naar de kapper op plekken als dit; barbierszaken waar je zo binnen kunt lopen en waar je zonder afspraak wordt geknipt. Met alle egards wordt mijn man altijd genood plaats te nemen op een - meestal prachtige oude - barbiers-stoel met van die slijtplekken in de vloer eromheen. Ik ga dan wat zitten lezen in het lokale sufferdje en bekijk wat er gebeurt. De kapper die hele gesprekken voert met mijn man. Die - taalgevoelig als hij is - lachend terug praat. Meestal gaat het over voetbal, overigens. Met zijn kapsel komt het ook altijd goed, hij transformeert in dit soort landen altijd tot een look-a-like van George Clooney. Knap hoe ze dat doen hier.
Vandaag hebben we echter een beetje pech. De kapper blijkt 'even weg te zijn'  aldus zijn vrouw. Een klant, een jonge jongen,  hangt zo te zien al enige tijd op de kappers-stoel. Hij zit erbij of hij zijn roes uitslaapt. 'Je mag hier wachten hoor', zegt ze tegen mijn man. 'Okay, ik wacht', zegt hij en gaat zitten. Ik onderwijl ga naar de kiosk, mijn schrift kopen. Bij binnenkomst weet ik even niet wat ik zie: een explosie van leeswerk om me heen. Achter de toonbank zit een dametje op leeftijd te bellen, ze is amper zichtbaar achter de grote, rommelige stapels tijdschriften en kranten. De winkelruimte staat helemaal volgepropt met boeken, lectuur, schrijfwaren en... schriften. Alles ligt kris kras door elkaar. 'Deze dame heeft een niet al te hoge ordenings-need', denk ik terwijl ik doelgericht af stap op de schriften. Ik probeer er een uit een stapel te wurmen. 'Alore, signora... wat doet u daar?' Het dametje houdt haar hand voor haar mobieltje en kijkt mij streng aan. 'Uhm, no capito, excuse', stamel ik en trek verder aan de stapel schriften. Ik wil niet zo'n roze bambino-schriftje, ik wil er een voor volwassenen, die met dat ruimtevaartschip voorop. Maar die zit nog in het plastic en dat wil ik lospeuteren. Maar ik voel de blikken van het dametje dat nu helemaal stil is gevallen. 'Okay, dat bambino-schrift dan maar', mompel ik. Als ik voor de toonbank sta, wijst het dametje me op de kranten. 'Kijk, hier allemaal journales'. 'No, grazie', zeg ik en leg mijn roze kinderschriftje voor haar neer. 'Twee euro twintig', zegt ze en ik zoek het geld bij elkaar. Onderwijl gaat ze weer verder met bellen en doet alsof ze me niet ziet als ik het geld aangeef. 'Signora', zeg ik en leg het geld dan maar neer. ''Aaaah, excuse! Grazie.' 'Si, ciao, bon giorno.' Ik verlaat dit universum. Wandel terug naar de kapsalon alwaar mijn man nog steeds zit te wachten. Op de kapper die 'eventjes weg is'. Zijn vrouw en dochtertje hebben zich verplaatst en hangen nu buiten, voor de deur rond. Binnen, bij de entree ligt een piepklein matje, 30 bij 40 cm. Er ligt een zwarte pluk haar op. Dat geeft moed, hier wordt toch echt gekapt. Op de barbiers-stoel echter, hangt nog steeds de jongeman half over de leuning. Hij wordt net wakker, gaat rechtop zitten en schakelt zelf een ander radiostation in. De kwelende amateur zangeres maakt plaats voor nerveuze Italiaanse popmuziek. 'Wat erg, die muziek. ' 'Ja, net was het nog erger',  mompelt mijn man, 'er stonden twee zenders dwars door elkaar heen aan te tetteren. Pop en klassiek.'
We hebben niet echt het idee dat de kapper nog gaat komen en verlaten ook dit universum. 'Ik kom terug op een ander moment', zegt mijn man tegen de vrouw van de kapper. 'Okay, ciao, arrivederci.' 'Si, ciao, bon giorno.' En we kuieren terug naar ons appartementje. Achter ons horen we moeder en dochter over ons praten. Thuis gekomen ruimen we onze boodschapjes op. Lekker, alles in de koelkast. Buiten, maar inmiddels ook binnen, is het behoorlijk warm.

zondag 28 mei 2017

TJAK

'Zal ik je eens een vreselijk verhaal vertellen? Echt horror hoor. Veertig jaar geleden kreeg ik van die oorbelletjes voor mijn verjaardag waar je gaatjes voor in je oren moest hebben. En die had ik niet, gaatjes bedoel ik. Vreselijk jammer vond ik dat, want ik vond die oorbelletjes zo mooi! Fijn zilverwerk met zachtroze steentjes, ik zie ze nog zo voor me. Wat een schatjes.'
'Weet je wat, Venus', zei de oom, die ze cadeau had gegeven samen met mijn tante, 'ik prik die gaatjes wel. Dat doen we in Spanje ook altijd zelf. Alle meisjes daar krijgen, als ze nog heel klein zijn, gaatjes in hun oren. We prikken met een verhitte naald, een dikke naald.' Daarbij keek hij vragend naar mijn moeder. 'Heb ik niet, sorry, wel een grote veiligheidsspeld, is dat wat?' 'Prima, en een aansteker. Ook iets van aftershave. En een kurk. Dan verhit ik de speld, houd ik een kurk achter haar oorlel en prik zo het gaatje. Gaat snel. Doet geen pijn.'
De verkoopster kijkt mij meewarig aan. 'Zo, wat een verhaal, maar zo gaat het nu niet meer hoor. Ik doe het met een soort chirurgische niet-tang, doet geen centje pijn. Grietjes van vijf jaar kijken me lachend aan als ik gaatjes bij ze prik.' 'Echt waar?' 'Echt waar!' Zweet druppelt over mijn rug en niet alleen door het warme weer. Stress!  'Ik twijfel enorm hoor, want het verhaal is nog niet klaar. Ik heb je nog niet alles verteld. Dat prikken ging helemaal niet goed. Het moest tig keer over en het deed hartstikke zeer. Mijn hele familie eromheen met de handen voor de mond en grote schrikogen. Ik ertussen in met bloedende oorlellen. En mijn oom maar stug doorgaan met die verhitte veiligheidsspeld. En het ergste moet nog komen...' 'Ja, het ging vreselijk zweren zeker', vult de verkoopster alvast in. 'Klopt, weken lang liep ik rond met etterende oorlelletjes. Oeh, man, wat een pijn, ik werd 'r ziek van. Ik heb de oorbelletjes eruit gewroet en de gaatjes dicht laten groeien.'
'Nee hoor, ik zweer je, zo gaat het echt niet, ben je gek zeg. ' En ze haalt alvast die prachtige oorbelletjes uit de vitrine. Die knopjes die zo mooi bij mijn ring en halsketting passen, het cadeau van mijn man. Terwijl ik de oorbelletjes oppak en bewonder, haalt de verkoopster alvast de chirurgische niettang. Voordat ik er erg in heb, heeft ze mijn linker oorlel te pakken. En... 'tjak.' 'Ooooh', zeg ik. 'Geen centje pijn.'  Ze prikt direct erna een gaatje in mijn rechter oorlel: 'tjak' en steekt er meteen van die piepkleine prikkertjes in. Om te oefenen. 'Goed schoonhouden met dit spulletje.'
En zo ga ik even later de deur uit. Een halsketting, ring, oorbellen en twee gaatjes in mijn oren rijker. Maar het belangrijkste: ik heb zo juist een jeugd-trauma overwonnen.

donderdag 25 mei 2017

C'EST LA VIE

Ze klaagt. Okay, ze klaagt. En er zit brood tussen haar tanden, wat ik altijd een beetje vies vind, maar ja, misschien heb ik dat ook nu ik net in het tuincentrum een broodje heb gegeten. Ik controleer met mijn tong mijn gebit, terwijl ik naar haar luister. En knik. En ik overweeg of ze net zo is als die veel te dikke vrouwen in scootmobiels in de supermarkt met hun: 'Wil je even koffie voor me pakken!? Nee, niet die! Roodmerk! Ja. En ook graag even de poedermelk. Completa!'  'Uh, okay. Die?' 'Nee, niet die, de light. Completa light. Ach, ik kan ook niet bij de kokos-macronen. Wil je die ook meteen even voor me pakken!? ' 'Oh... Okay... ' En voor je het weet loop je als een slaaf in het kielzog van zo'n dikke dame in haar scootmobiel. Alles in dat mandje achterop die kar te mikken.
Maar zo is deze vrouw niet. Ze is gehandicapt aan haar benen, zie ik. Maar ze is slank en ondanks het brood tussen haar tanden, zie ze er keurig verzorgd uit. Ze zit in een rolstoel. En okay, ze moppert. En ze klaagt maar: geen gebiedende wijs te bespeuren in haar manier van praten. En ja, ik bied haar ook de ruimte om haar beklag te doen want ik kom naar haar toe. Ze staat voor het blokhutje waar mijn man en ik een bestelling plaatsen voor sierbestrating.
Ik spreek haar aan en ze antwoordt. Een vliegtuig scheert over het terrein. KLM dit keer. Ze stijgen hier op. Ik kan hun buiken bijna aantikken. Gedwongen zwijgen we. Zodra het weer kan, vertelt de vrouw verder. Dat ze er soms zo moe van wordt dat er nergens rekening met mensen in rolstoelen wordt gehouden. Zo ook hier. Ze wil naar binnen om over sierbestrating te overleggen. En ze wil ook het plateau op, dat plateau ietsje verderop, vol kunstig aaneen gelegde tegels. Om zich te orienteren, net als iedereen. Ik onderstreep haar klacht, luister naar haar verhalen en samen halen we onze schouders op: 'C'est la vie, he. Wel stom want zo raak je een aanzienlijk deel van je klanten kwijt, als je het ontoegankelijk maakt voor mensen met een handicap.' 'Inderdaad. Als je er niet in kunt, kun je er ook niks kopen.'
Ze blijft buiten wachten, maar ze weet dat ik het meld aan de man van de sierbestrating. Ze schat me goed in. Ik lach naar haar als ik weer binnen ben en attendeer de man van de sierbestrating op haar aanwezigheid. Als we klaar zijn, loopt hij naar buiten. Naar de vrouw in de rolstoel. Als ik achterom kijk zie ik dat hij schielijk een grote tegel voor de blokhut legt. Schuin, zodat hij haar er in kan duwen.
Als we na een paar minuten over de autoweg terug naar huis rijden, zie ik haar in de verte over het plateau rijden. Als een volleerd ballerina draait ze rond in haar rolstoel, handig manoeuvrerend over de kunstig aaneen gelegde tegels.

zondag 14 mei 2017

OUWE LULLERIG

Helemaal in ons nopjes doorkruisen we de Hornbach. Werkhandschoenen, goede schep, scherpe tuinscharen en ander toebehoren: uit de schappen, hop, zo op de kar. De voorjaarsplantjes laten we dit keer voor wat het is;  die beker laten we aan ons voorbij gaan. We gaan eerst de bliksemse boel thuis leegruimen en daarna alles opnieuw (laten) bestraten. Minder groen, geen overwoekerde borders meer vol riet en zevenblad. Wel veel meer zitplek en er komt zelfs een keurig tuinhuisje met overkapping.
'We anticiperen al aardig op de toekomst, vind je ook niet', grinnik ik. 'Je bedoelt, we hoeven bijna niet meer te tuinieren binnenkort?' 'Yup, scheelt ons veel rugpijn, stijve gewrichten en veel, heel veel tijd. Tijd die we liever besteden aan koffie drinken in de schaduw en aan het doornemen van de zaterdagkranten. Lekker ouwe-lullerig.' Mijn man grijnst terug.'Helemaal waar, Venus. Dit is vast de laatste keer dat we onze tuin opknappen, denk je ook niet? Over tien of vijftien jaar staan we voor de keus: blijven we hier nog wonen of gaan we naar een aanleunwoning?' 'Tjezus, ja. Snel al he?' 'Yup, zeker snel! Net zoals we komend jaar misschien voor het laatst ons huis nog een keertje restylen. Ook voor de laatste keer, vermoedelijk.' 'En,' besluit ik, 'als Snorro er binnenkort niet meer is, die gaat toch echt wel een keertje hemelen, denk je ook niet, met haar 25 jaar, zullen we ook vast geen nieuwe kat meer nemen. Of... misschien nog eentje. Want katten zijn wel heel erg leuk. Dat wordt dan wel onze laatste kat.'
Buiten gekomen banen we ons een weg tussen jonge stelletjes, hun karren volgeladen met voorjaarsplanten. Ons gereedschap gooien we in de achterbak en we gaan zitten. Ik pak een CD uit de jaren ' 90 en stop 'm in de speler. Mee zingend met Angie Stone tuffen we terug naar huis waar ons onze laatste tuinklus wacht.

zaterdag 29 april 2017

FLAPFLAPFLAP

'Ja, hij heeft het ook. Precies hetzelfde als ik.' Ik draai me op mijn rechterzij en zie hem weglopen. Nou ja, lopen. Waggelen, eerder. Stijve benen, een beetje kromgetrokken. Flap flap flap doen zijn voeten. Stijve enkels.
Een minuut of wat hoor ik hem heen en weer lopen over de overloop.  Flap flap flap. Naar de badkamer. Daarna naar de kastenkamer. Gerommel in zijn kast, de strijkplank wordt uitgeklapt. Stoomstrijkijzer aan. De geur van vers gestreken overhemd kringelt mijn neus binnen. Klaar is hij, alles schoon, gestreken en aangekleed. Flap flap flap -  op kousenvoeten weliswaar - maar toch onmiskenbaar flap flap flap, nu gaat hij de trap af, mijn man.
Daar hoor ik hem in de keuken bezig, de kraan stroomt, even later borrelt de waterkoker. Hij pakt de krant, deur open, rammelende deksel van de brievenbus, deur dicht. Flap flap flap door de gang. Schuivende stoel, hij gaat ontbijten en de krant lezen.
'Miauw'. Kijk aan, de poes is ook wakker en komt de trap op. Niet bepaald soepel, met haar kromme artrose-pootjes. Ook een soort flap flap flap maar dan anders. Ze is er, trippelt met haar stijve voetjes om mijn bed. Kijkt of ik wakker ben. Ik houd me slapende. Ze gooit er nog een paar fikse miauwen - want inmiddels behoorlijk doof - uit, pal naast mijn bed. Helder, ik, haar vrouwtje, moet meekomen. Haar ontbijt opdienen. Melk op een schoteltje serveren, hapje Kitkat in een bakje scheppen. Ik gooi mijn dekens van me af, benen overboord, zet mijn voetjes op de vloer. Ai. Stijf. En daar ga ik, flap flap flap, samen met Snorro met haar artrose-pootje de trap af.

dinsdag 18 april 2017

IN DE ZEVEN

Tram 7 naar Sloten.  Helaas, pindakaas; geen zitplaatsen meer. Dat wordt staan, met mijn zere voetjes. Want ja, de lichtblauwe halfhoge laarsjes zijn mooi maar nog niet ingelopen. Mijn tenen gloeien. Gelukkig, na de vijfde halte is er ineens een plekje vrij naast een wel heel stevige jongeman. Met een petje op zijn kop. En een grote werkmansbroek aan. Grote, stevige schoenen aan zijn voeten. Wijdbeens zit hij daar en ik kan er ternauwernood bij. Op mijn linkerbil balanceer ik en bij elke bocht moet ik tegenkracht met mijn rechterbeen geven.
'Het regent.' Ik kijk naar links, naar de grote stevige jongeman. 'Wat zeg je?' 'Het regent. Vies weer.' 'Ja, dat klopt, regen. En koud ook. Het lijkt wel winter.' De man knikt. Hij draagt een grote bril met heel dikke glazen. Ze vergroten zijn ogen. Hij spreekt een beetje binnensmonds. 'Koud, net als in de tropen.' 'Huh, koud? In de tropen. Wat bedoel je?' 'De bomen in de tropen zijn hoog en dicht tegen elkaar. Als je daar onder loopt, is het heel koud.' 'Aha, ja, ik snap het. Koel. Heerlijk toch?' 'Ja, lekker', zegt hij. Ik kijk hem eens goed aan vraag naar de bekende weg: 'Waar kom je vandaan?' 'Suriname. Paramaribo. Prachtig, de bomen in Suriname. Hoog, veel hoger dan hier.' 'Ja, vast wel 20 meter hoog, zo hoog als dat gebouw daar', en ik wijs naar het Rijksmuseum. 'Oh nee, veel hoger nog.' 'Mooi. ' 'Ja, mooi.' 
We verlaten het Museumplein, rijden naar Oud-West. De man vertelt verder en ik vraag en vraag. Hij is ziek geworden in Suriname. Door atoomproeven. 'De Fransen deden daar proeven in zee en het waaide zo naar ons.' Hij maakt wuivende bewegingen met zijn grote, dikke handen. 'Wat erg. Wat heb je gekregen? Wat voor ziekte?' 'Schizofrenie. Stemmen in mijn hoofd.' 'Wat erg', zeg ik weer. 'Hoe oud ben je?' 'Vijftig.' 'En hoe lang geleden waren die proeven. Heel lang geleden?' Hij knikt: 'Ik was veertien toen ik ziek werd.' 'En hoe lang woon je hier?' 'Vanaf mijn veertiende.' 
We rijden Oud-West bijna uit. Hij is er bijna. Vertelt me nog over zijn werkkleding en zijn baan in het Flevo-park. Over zijn medicijnen, dat hij vanmiddag weer pillen haalt. 'Helpen ze goed', vraag ik. 'Ja', knikt hij. 'De stemmen zijn weg?' 'Ja, die blijven weg. Zo, ik ben er.' Ik laat hem erdoor. We nemen afscheid. 
Ik schuif naar het raampje, voel de warmte van de man nog in de zitting. Vlak voor we linksaf slaan zie ik hem lopen. Hij slaat rechtsaf, de grote dikke man. Met zijn petje op zijn kop.