donderdag 22 oktober 2020

SLAGVELD IN MIJN KEUKEN

'Gatverdarrie, alweer zo'n kolerebeestje. Verdorie, nu kriebelt 'ie in mijn neusgat.'  Snel grijp ik naar mijn neus, maar gevlogen is het kreng alweer. Recht op het scherm van mijn Macbook gaat hij af. Op naar het licht. 'Ik zal je krijgen, kreng! ' En ik klauw naar het minuscule beestje en... grijp mis. 

'Waar is ' ie gebleven? Geen idee.' Ik typ weer verder aan mijn mail. 'Nee he, weer eentje!'  Dit keer vlak naast mijn toetsenbord, op de witte tafel. Supersnel druk ik met mijn vinger en ... raak. Verpletterd. Jammer dan, een verloren leven, nou ja, leven, het kreng zou hooguit 1 dag leven en dan alweer vanzelf sterven. 

Teams roept! We heten elkaar welkom en beginnen te vergaderen. Af en toe schuif ik met mijn muis over het beeld, dat verhelpt de hapering. 'Verdomme nog an toe: weer zo'n eendagsmonster voor mijn scherm.' Woesh, daar vliegt het beestje rechtstreeks in mijn haar om daarna voor mijn ogen te gaan vliegen.  Geërgerd wapper ik met mijn hand voor mijn gezicht. Weg is hij. 

Na de vergadering sta ik op om een kop thee te zetten. Buiten is het wat lichter  geworden en ik trek het rolgordijn omhoog. 'Fijn even het zonnetje binnen laten.' Dan zie iets verschrikkelijks! Het hele raam zit vol met kriebelende fruitvliegjes. 'Waar komen die ineens vandaan?! Wat veel!! Walgelijk!! Wat moet ik hieraan doen?! Eerst moeten ze weg. Weg.Weg!!' Ik pak de stofzuiger en slorp zoveel mogelijk van die secreten de slang in. Voor alle zekerheid druk ik de mond van de slang af en toe op een handdoekje op het aanrecht. Een hoog piepend geluid scheert door de keuken. Zo weet ik zeker dat ze naar binnen worden gezogen en er niet snel weer uitvliegen. 

Het aantal krioelende beestjes is nu tot de helft gereduceerd, maar toch kriebelen er nog steeds tientallen, misschien wel een paar honderd, over mijn raam. 'Glassex!'  Snel rommel ik door mijn gootsteenkastje en vindt een grote nieuwe fles nog helemaal vol met het blauwe goedje. Ik spuit er royaal mee op het raam en daar gaan ze. Mee met de naar spiritus ruikende tranen die naar beneden rollen tot aan het kozijn. Daar blijven ze nog even vechten voor hun leventje. Makkie. Met een doek in de hand druk ik ze een voor een dood! ' Sterven zullen jullie! Krengen! Sterf!!' 

Weer achter mijn laptop - ik heb zowaar een half uur besteed aan deze moordpartij, aan dit slagveld in mijn keukentje - probeer ik verder te werken.  Ben er moe van en voel mijn huid prikken van afkeer van die krengen. 'Gatverdamme, ze dwarrelen nog steeds rond.'  Als ik naar het raam kijk, zie ik dat er echt elke tien tellen wel weer een paar tegenaan vliegen. De Glassex is weggezakt, ze blijven dus weer leven. Weer spuit ik het raam vol en daar gaan er weer enkele tientallen hun dood tegemoet. Herhaling van zetten, met de geruite doek druk ik er tientallen dood.

Klaar ben ik ermee. Ik sluit mijn werk-account af, pak mijn boodschappentas en portemonnee en ga naar de supermarkt om een grote spuitbus anti-insecten-middel te kopen. Snel ga ik naar huis en zie dat er onderwijl weer heel veel, oneindig veel nieuwe fruitvliegjes op het raam zitten. 

'Okay', denk ik, 'ik kan wel blijven moorden, maar waar komen die krengen vandaan? Wat is de bron van het kwaad?'  Speurend loop ik door de keuken, de kamer, de gang, het toilet. Ik kan de bron niet achterhalen. Zie niet waar ze vandaan komen. Omdat ik nog moet koken, besluit ik te wachten met de spuitbus; ik verdrink er eerst nog zo'n 100 in de Glassex en veeg ze van het kozijn. 

's Avonds, na het eten, kijk ik nog eens op het raam en ja hoor, ze zitten er weer. Herhaling van zetten: spuiten, verdrinken en een enkele in doodstrijd verkerend fruitvlieg naar de eeuwige jachtvelden helpen met behulp van mijn geruite theedoek. 'Dood! Dood! Dood krengen! Dood!' 

Mijn man is inmiddels ook bevangen door de fruitvliegjes koorts en gaat ook speuren naar de bron van het kwaad. ' Kijk nou eens, Venus, gatverdegatver! Jaaaaak. Ze komen uit het pedaalemmertje in het gootsteenkastje.'  Er komt een vieze lucht uit het emmertje, blijkbaar heeft er iets in liggen broeien, een fijne voedingsbodem voor de zich voortdurende voortplantende soort die fruitvliegje heet. Glorix, heet water en boenen maar. Verwoed zit hij daar te schrobben. De pedaalemmer gaat naar buiten, het afval wordt snel weggekieperd. 

Pas als we gaan slapen, mag ik van mezelf doen waar ik al de hele middag en avond zin in heb. Ik pak de spuitbus, even lekker schudden, dop eraf en PSSSSST PSSSST PSSST . Al snel vult de keuken zich met dat specifieke chemische luchtje. Ook het gootsteenkastje spuit ik vol gif. Heerlijk! 

Dood. Aan. De. Fruitvliegjes! 

De volgende ochtend liggen er heerlijk veel lijkjes op het kozijn van het raam. Een enkele dwarrelt nog levend rond. Wat suffig, dat wel. Met groot genoegen druk ik ze tegen het raam, een voor een. Duw en wrijf. 'Bye bye fruitvliegje.' 

Ja, met een oneindig genoegen beëindig ik deze jonge leventjes. Stuk voor stuk. Een voor een. Heerlijk! 

zondag 11 oktober 2020

HEMA WATERKOKER

Bijna negen uur is het en ik heb geen zin vandaag. Geen zin vooral om weer achter mijn keukentafel te zitten, in mijn eentje. 

Een beetje met de moed der wanhoop begin ik er toch maar weer aan. Eerst snor ik de inlogcode op op de token op mijn telefoon: 'snel, nog 6 seconden, dan verloopt hij weer. tik, tik, tik, tik, tik, tik ... zo, weer gelukt vandaag.'  Alles opent, zelfs Outlook. 'Nu Teams openen, zooo, ook weer gelukt.  De werkdag kan beginnen.'  

Ik open mijn agenda en zie veel blauwe blokken voor vandaag. Om half tien heb ik al mijn eerste Teams-sessie, om 11 uur weer een, om 13 uur en dan even rust tot 15 uur. Tussendoor half-uurtjes en kleine uurtjes om klusjes te klaren, mailtjes te beantwoorden, belletjes te plegen en appjes te lezen en beantwoorden. En oh, vreselijk, om half vijf - bijna einde werkdag voor mij, - staat er nog een Teams-sessie gepland. 'Wie heeft dat voor mij bedacht? Dan kan ik toch niet meer uit mijn ogen kijken na al dat gestaar in mijn scherm?!' Mopperend lepel ik mijn bakje yoghurt leeg en drink ik van mijn thee. 

Buiten is het nog mooi, het herfstlicht kust de planten wakker in mijn achtertuin. Een Koolmeesje rommelt op het terras. 'Was het nog maar zomer, dan was ik nu even naar buiten gegaan om mijn planten water te geven, in afwachting van de eerste Teams-klanken.' Maar het is geen zomer, het is herfst. 

Ik pak mijn aanteken-blok en maak mijn to-do-list. Wat moet er ter voorbereiding op al die gesprekjes allemaal gebeuren? Ik schrijf het op. En wat moet er tussen al die gesprekjes door gebeuren. Ook dat zet ik in het lijstje, netjes, volgordelijk, chronologisch, op basis van tijd. Een paar dingen hebben echt prio, een paar minder. Zoals het lezen van al die stukken voor de directie, dat is van minder belang vandaag, dat kan ook woensdag wel, want dat is over het algemeen een rustige dag met weinig tot geen Teams-sessies. Ik houd van de woensdag, dan kan ik voor mijn gevoel goed denken en schrijven - een beetje reflecteren - en even er tussen uit voor een ommetje. Als mijn agenda zo blauw is zoals vandaag, heb ik amper tijd om naar de wc te gaan en ben ik na een dag werken echt doodop. 

Hoe leuk ik het in het begin vond, dat online vergaderen... zo 'niet-leuk' vind ik het nu inmiddels. Het maakt me moe want ik mis het direct contact met mijn collega's, het switchen van kamer naar kamer, van kantoor naar kantoor, het sparren en even naar buiten een broodje halen, een stukje wandelen samen met een collega of alleen om na te denken. Koffie voor elkaar meenemen en even kletsen in de pantry. Dat alles verzet mijn zinnen en geeft me steeds weer beetjes energie. 

Half tien inmiddels, Teams roept! Projectgroep Onboarding!  Ik klik op 'deelnemen', op 'camera  aan'  en verschijn in beeld. De voorzitter en ik zijn de eersten. Andere deelnemers druppelen een voor een  digitaal binnen. We begroeten elkaar en kletsen wat. Maken grapjes over en weer over nieuwe kapsels, hippe brillen en in beeld lopende huisgenoten, over het wasrekje of nieuwe achtergronden van Teams zoals het industriële kantoor-interieur. Mijn achtergrond is al zes maanden hetzelfde: een witte Hema-waterkoker op het aanrecht met daarnaast een chinees rood blikje waar thee inzit. 

Sheet nummer 1 verschijnt in beeld. We reageren op de getoonde processtappen. De thuiswerkdag kan beginnen. 


vrijdag 25 september 2020

BEDORVEN MELK

'Wat hangt hier een raar luchtje. Het ruikt naar... ' ik snuif nog eens diep... ' het ruikt hier naar bedorven melk. Raar is dat. Goed, ik ga maar eens, alles bij me? Mondkapje, phone, de knip?'  Jas aan, deur op slot, lekker, een dagje naar kantoor, even weg van die thuiswerkplek. 

Buiten ruik ik het weer. 'Wat gek, waar komt dat vandaan? Is er een of andere fabriek in de buurt die vandaag extra goed te ruiken is? Met Oosten-wind ruik je bij ons de industrie van Zaandijk en Zaandam. Maar dat is meestal een cacao-geur, dit ruikt meer naar de melkfabriek van vroeger in Assendelft.' 

In de trein ruik ik het weer. Ik snuffel nog eens goed. 'Zou mijn mondkapje aan een wasbeurtje toe zijn? Vast wel, ik gebruik 'm al een tijdje, eens per week.' Ik neem me voor 'm vanavond mee te wassen met mijn kleding. 

In Amsterdam Oost ruikt het ook al zo naar bedorven melk. Ik snap er niks van en stap welgemoed door naar kantoor. Daar ben ik de hele dag zo druk met van alles en nog wat, het geur-mysterie verdwijnt naar de achtergrond. Tot 's avonds, half zes, als ik mijn spullen inpak en mijn jas aantrek. 'Weer die lucht, hier ook al? Op kantoor? Bizar.'

Met veel plezier wandel ik terug naar het station. Wie had dat ooit kunnen denken dat ik zo zou genieten van dit stuk wandelen van kantoor naar het station? Heerlijk lekker pittig doorstappen, fotootjes maken, nu eens door dit straatje in plaats van die, gewoon, ter afwisseling. 

Op het perron doe ik braaf mijn mondkapje om. De trein komt er al aan en ik stap in. Onderweg bewerk ik mijn fotootjes en plaats ze op Insta. Ook iets wat ik voorheen - voor het Corona-tijdperk - zo gewoon vond, fotootjes maken onderweg en die dan lekker bewerken tijdens de treinreis. 'Wat fijn toch om te doen', denk ik maar onderwijl word ik me weer bewust van dat luchtje. 'Zou het komen omdat we de Zaanstreek naderen? Neuh, onzin, want in Amsterdam stonk het ook zo. '

Als ik uitstap in mijn woonplaats, ruik ik de geur nog sterker. 'Echt bizar, wat gek toch, hoe komt het dat het hier ook zo ruikt als in de trein en op kantoor en in Amsterdam?!' 

Thuisgekomen word ik in beslag genomen door koken en eten met manlief en een Netflixje kijken ter ontspanning. Als ik uitgekeken ben ga ik even naar het toilet en op de gang word ik me weer bewust van dit rare bedorven melklucht. Ineens krijg ik een flashback, van het ochtendritueel na het douchen. Ik tutte me op en deed mijn haar. Er zat iets in mijn haar, stukjes geronnen bloed leek het wel. Ik haalde het eruit en ging door met mijn toilet-makerij. 'Beetje fohm in mijn haar, beetje kneden, zo, dat ziet er weer piekfijn uit.' 'Blijkbaar had mijn hoofdwond met hechting vannacht wat gebloed', had ik nog gedacht. Mijn hoofdwond? De hechting? Ik grijp vertwijfeld naar die plek op mijn hoofd en voel ... ik voel viezigheid. Wrijf met mijn vingers over de plek en snuffel eraan. 'Gaaaaaaatver!! Ik heb de hele dag door mezelf geroken!! Mijn wond is ontstoken!! '

Die nacht kan ik niet slapen, ik walg van mezelf. Gelukkig moet ik de dag erop naar het ziekenhuis, de hechtingen worden eruit gehaald en de boel wordt lekker schoongemaakt. Ik krijg een zalfje mee tegen de ontsteking. Op de terugweg ga ik naar een koffietentje. Op het toilet smeer ik het halve tubetje leeg op mijn hoofd. Nooit meer wil ik die bedorven melklucht ruiken. 

zondag 20 september 2020

BEMOEIZUCHT

Ze rijdt voorbij op de fiets met zo'n bak voorop waarin een kereltje van zes jaar, op de bagagedrager achterop zit de oudste van naar ik schat zeven jaar en  rechts van haar rijdt nog 'n ventje, een dreumes van hooguit vijf jaar, slingerend op zo'n piepklein stoer fietsje. Het jongetje achterop laat zijn beentjes naar beneden bungelen en ik krijg een flashback. Een heel nare. Van Jop, mijn oudste zoon, die perse zo achterop wilde zitten bij zijn vader. We fietsten terug van een koffiebezoekje aan opa en oma en gingen naar huis. Op een nazomerse zondag. Ik achter ze, met de jongste zoon in zijn zitje achterop. Ik zag het gebeuren. Jop zijn been raakte tussen de spaken. Hij schreeuwde het uit. We stopten. Bekommerden ons om Jop die op een been bleef staan en naar zijn gewonde been greep. Wit van ellende. Ik weet nog dat ik wel onder de stoep wilde kruipen, omdat ik me zo vreselijk voelde. Mijn schuld. Ik had hem nooit zo achterop moeten laten zitten. 

Mijn man tilde Jop op en droeg hem naar huis. Daar bleek hij er echt ellendig aan toe en omdat we geen auto hadden, bood een lieve buurman aan om ons naar het ziekenhuis te brengen. Daar bleek dat Jop zijn been gebroken had. Mijn hart brak. Wat hadden we 'm aangedaan, dat arme joch. Aangeslagen liep ik naar buiten om de buurman te vertellen dat wij nog wel even in het ziekenhuis moesten blijven. Buurman met tranen in zijn ogen naar huis. Ik met tranen in mijn ogen weer naar binnen. 

'Aaaaaauuuuuuw', schreeuwt het jongetje op de bagagedrager en hij blert het uit. Ik verstijf! Zijn moeder stopt meteen en balanceert met de last van haar zwaarbeladen fiets. Zo goed en kwaad als het gaat draait ze zich om naar het kereltje dat nog steeds hartverscheurend huilt. De dreumes ernaast kijkt sip omhoog naar zijn huilende broer. 

Ik loop ernaar toe en besluit me even als een oude, bemoeizuchtige vrouw op te stellen. Vraag eerst hoe het met het ventje gaat, zie dat er gelukkig wel spatschermen tussen de spaken en zijn beentjes zitten. Hij stopt direct met huilen en kijkt mij nieuwsgierig aan. Zijn moeder vindt het blijkbaar geen enkel probleem dat ik er naar vraag. ' Hij heeft zijn enkel gestoten' , zegt ze.  'Ja', zeg ik, maar kan hij niet beter voorin zitten, naast zijn broer? Sorry, hoor, maar ik zag jullie zo rijden en kreeg direct de herinnering aan mijn zoon vroeger, die zat er net zo bij en kwam met zijn been tussen de spaken. Hij had zijn been gebroken en ik vond het zo verschrikkelijk. De moeder luistert aandachtig en knikt, de jongetjes kijken beurtelings naar haar en naar mij. 

Grappig genoeg ontspint zich hierna een amusant gesprekje tussen mij, de moeder en de drie jongetjes. Wat een leuke ventjes zijn het. Als ik aan de een iets vraag, beginnen ze dwars door elkaar heen tegen mij terug te praten.  Heel  extravert en bevlogen zijn ze. De moeder vertelt dat haar middelste zoontje - die voorin de bakfiets - wel zijn voet heeft gebroken afgelopen voorjaar. Hij was meegenomen door vriendinnetjes, achterop de fiets, en kwam met zijn voetje tussen de spaken. 'Oooh, wat ellendig', zeg ik en ik zie dat zij voelt wat ik voel, dat ze weet hoe het voelt als je kind zoiets overkomt. 

We kletsen nog wat, de drie kereltjes zijn  echt net zo'n perpetuum mobiel. Als ik tegen een praat, beginnen ze alle drie terug te praten. Het is echt heel vertederend en grappig. 

Als ze wegfietsen kijk is ze nog lang na. Maar goed dat ik bemoeizuchtig was, want het leverde een prachtige ontmoeting met een lieve, leuke moeder en drie schattige zoontjes op. 

vrijdag 11 september 2020

ONDER DE DOEK

 'Zooo... even je oor dichtstoppen. Er kan straks namelijk bloed instromen.' 'Oh, okay.' 'Zo blijven liggen, he, de dokter komt zo.' 'Ja, is goed', zeg ik en voel mijn nek al een beetje verstijven. Gelukkig duurt het maar een kwartiertje, had de dokter gezegd. 

Na vijf minuten kijkt de OK assistente toch maar eens in het kamertje naast ons. Blijkbaar is de dokter daar nog bezig met een ander. 'Nou, hij is al aan het hechten, dus dat gaat goed.' 'Huh huh', zeg ik en merk dat mijn handen al een beetje zweterig worden. Straks gaat het gebeuren. De assistente gaat gezellig door met het keuvelende gesprekje dat we al een tijdje voerden. Over mijn man in de gezondheidszorg en haar broer in de gezondheidszorg en zijzelf in de gezondheidszorg. En ik als interimmer bij de gemeente Amsterdam. We raken aardig op dreef. 'Neem me niet kwalijk', zegt de dokter die ineens achter mij blijkt te staan, 'maar we kunnen wel beginnen.' 

Dan herhaalt hij wat de assistente ook allemaal al had verteld. Over wat er gaat gebeuren en hoe hij het aan gaat pakken. Hij onderzoekt onderwijl toch nog eens dat vermaledijde plekje op mijn hoofd. 'Mmmm, ik moet het misschien toch een beetje snijden en daarna even hechten.' 'Okay', zeg ik ter afwisseling op de tien keer dat ik al ja heb gezegd. 

'Zooooo', zegt de assistente, 'dan leg ik nu de doek over je hoofd.' 'De doek over mijn hoofd', denk ik. 'OMG, dat is precies waar ik altijd zo bang voor ben! Geheid dat ik dan een paniek aanval krijg. Ooooh hellupie! Hoe moet ik hierop anticiperen?' De dokter onderwijl heeft alles verdoofd, prikje hier, prikje daar en is begonnen met het schaven en het snijden. Ik ondertussen voel de paniek toenemen en voer een innerlijke dialoog. ' Ik stik!' 'Nee, Venus, gedraag je, je bent een volwassen vrouw, toe nou, zeg. Jij wilde toch dat hij dat ding weg zou snijden?! Nou dan??!! Het duurt maar een kwartiertje, zeg. Dat heeft de dokter vorige keer gezegd. Je bent zo klaar.' 'Ooooh nee, ik houd het niet meer. Ik stik!! Wat is het hier benauwd!!' 

Ik bestrijd de aanvechting om van de operatietafel te springen. 'Gaat het allemaal nog een beetje met u', vraagt de dokter geroutineerd. 'Uhm, nou, ik heb het nogal benauwd onder die doek', piep ik. 'Dan mag u 'm wel een stukje omhooghouden hoor, met uw linkerarm.' 'OMG, de redding is nabij, ik mag de doek ietsje omhoog houden.' Omzichtig beweeg ik mijn arm richting doek. 'Nee!!! Nee!!! Neeeeeee!!! Leg te-rug, doe te-rug', roepen zowel de dokter als de assistente. 'WTF', denk ik. 'Wat doe ik niet goed?' 'U moet uw arm in een cirkel boven de ruimte naast het bed bewegen en dan zo naar de doek brengen. Als u direct naar de doek grijpt, dan bestaat er kans op besmetting. Dan beweegt u zich in de steriele omgeving!' 

'Ach, jeetje, neemt u mij niet kwalijk', zeg ik bedremmeld en beweeg braaf mijn arm in een ronde zwaai heel langzaam naar de doek en licht die een stukje op. Paaaaaaah! Lucht!! Ik kan weer ademen. Nu is het goed. En de dokter schaaft en snijdt er lustig op los. Plop, daar gaat het dingetje in een potje. Weg ermee!! Basta! Dan moeten de bloedvaatjes nog worden dichtgebrand. Ik bereid me voor op een BBQ luchtje maar dat valt alleszins mee. Daarna een paar grote steken in mijn kop en klaar is de hechting. 

En dan... woesh, daar gaat hij: de doek. Met een grote zwaai haalt de assistente 'm weg. Er is weer licht. Er is weer lucht. Van de hel in de hemel! Ik bedank ze allebei voor alles en denk dat ik alweer weg kan, maar moet nog wachten omdat er van alles losgekoppeld moet worden en er bloed van mijn hoofd gepoetst moet worden. Dan nog even keuvelen met die alleraardigste assistente en dan ga ik. Bij het vertrekken zie ik in de spiegel dat mijn ooglid blijkbaar ook verdoofd is, die hangt halfstok. Ter nagedachtenis aan het verdwenen gezwelletje. 

donderdag 3 september 2020

GRATIS ZEGELTJES

Het is nog vroeg en rustig in de buurtsuper. Ik ben wel klaar met mijn mandje laden en schuif aan in de rij voor de kassa annex sigarettenboer annex postkantoor. Er ontstaat even zo'n dansje waarin je snel moet besluiten of je iemand voor laat gaan of juist niet. Een oude dame sluit achter mij aan, voor mij staat een andere oudere dame die ik voor liet gaan. Zij heeft alleen een plantje met roze bloemetjes in haar handen. Om deze druilerige dag op te fleuren, kan ik me zo voorstellen. 

Ik houd netjes afstand tot de dame voor mij,  maar de dame achter mij vergeet alle corona-regels en gaat op zo'n tien centimeter achter mij staan. 'Ik zag er net zo twee voor me de rij induiken', zegt ze lacherig en ik draai me om. 'Ja', zeg ik, 'ineens werd het een beetje drukker. Ach, dan maar even wachten.' 'Precies, wat maakt het uit', zegt de oude dame, 'op onze leeftijd kun je best wel eventjes wachten.' Ik draai me iets verder om naar haar en knik ter bevestiging. 'Och, u bent een stuk jonger dan ik', lacht ze. 'Ik ben bijna zestig, hoor.' 'En ik ben vijf en tachtig. Dat is meer dan vijf en twintig jaar verschil.' 'Maar je bent nog helemaal goed', complimenteer ik haar. 'Je woont hier nog in de buurt?' 'Ja, anders deed ik hier geen boodschappen', riposteert ze. 'Slim', denk ik, 'met haar brein is alles nog okay. Maar ze is wel gewend te benadrukken dat ze nog kien is.' 

De dame voor mij heeft haar plantje afgerekend, ik ben aan de beurt. Als ik afgerekend heb en mijn boodschappen in mijn tas stop,  legt de dame achter mij alvast haar spulletjes op de band. De kassiere rekent het af, maar dan raken onze boodschappen verward. Op een grote hoop ligt alles. 'Zeg, stopt u niet mijn boodschappen in uw tas', grapt de dame. 'Goed idee, ik begin alvast met dat pakje melk, die gaat mijn tas in hoor', grap ik terug. De kassiere vindt het minder leuk en overhandigt de oude dame snel haar eigen boodschappen. 'Wilt u zegeltjes', vraagt ze onderwijl. 'Nou... ja... ', stamelt de oude dame nu ineens. 'Uhm, ja, die wil ik wel, maar dan alleen die uhm... alleen die geen geld kosten.' De kassiere ritst twee gratis zegeltjes los van de rol en geeft die aan de oude dame. Die lacht nu verlegen naar mij. 'Ik moest echt even goed nadenken hoe dat ook alweer heette.' Ik glimlach en samen lopen we naar de deur. Kijken nog even naar de nieuwe spaarboekjes. 'Je kunt knuffels en voorleesboeken sparen, maar da's voor kleinkinderen en die heb ik nog niet.' 'Ik ook niet', zegt de dame. We bespreken de leeftijd van haar enige dochter. Die blijkt iets jonger dan ik. 'Dan zit het er ook niet meer in, want op die leeftijd krijg je geen kindjes meer', besluiten we. 

'Maar goed', zegt ze, 'geen kinderen ... dat scheelt je ook veel zorgen.' 'Zo is het', zeg ik en ik wens haar een fijne dag. In gedachten loop ik terug naar huis. Ik vergeet mijn paraplu uit te klappen, regen drupt over mijn gezicht. 

maandag 31 augustus 2020

DROMEN DELEN

Zo gaat dat steeds. Ik zie 'm in een ander. In de jongen bij het stoplicht, op zijn scooter, met een meisje achterop. Als hij wegrijdt, slaat ze haar armen om hem heen. Ik zie waarom ik aan hem denk: dat smalle, fijne gezicht, het lange donkerblonde haar in een knot op zijn hoofd. Een tenger postuur. Maar Jop zou nooit op een scooter rijden en zeker niet met een meisje achterop dat haar armen om hem heenslaat als hij wegrijdt. 

'Hoe zou het met hem zijn? Nu? Het is middag, daar is het een stuk warmer nog dan hier.'  Ik zie hem voor me, mijn zoon. Zittend in meditatiehouding in een prachtig groen berggebied. Zijn ogen gesloten. In zichzelf gekeerd. 

'Zou hij nog wel eens aan mij denken? Aan ons?' Ik kijk naar links, waar mijn man achter het stuur zit. Nu is het groen voor ons. Hij geeft gas en zegt: ' Hoe zou het met Jop zijn?' 

'Zag je hem ook in die jongen terug? Precies zo'n jongen, he?' Hij knikt van ja en we delen onze gedachten. 

Zo gaat dat steeds. Ik zie 'm in een ander. En precies op hetzelfde moment ziet mijn man hetzelfde als ik. En precies op hetzelfde moment denken we hetzelfde. Zelfs in onze dromen komt hij op hetzelfde moment voor; in soortgelijke situaties. Dat is iets nieuws, trouwens. Sinds dit jaar. 's Ochtends bij het ontwaken vertellen we elkaar erover, hoe hij was en wat hij deed in onze droom. De verhalen lijken elkaar aan te vullen. Vreemd genoeg voelt het heel normaal. 

We slaan rechtsaf, de laan in die voor ons huis langs loopt. De jongen op de scooter met zijn meisje achterop, rijdt een heel eind voor ons uit, slaat rechtsaf en verdwijnt uit beeld.