maandag 11 december 2017

ZO'N DAG

'Bent u op weg naar de trein?' Verrast kijk ik op vanonder mijn pet. 'Ja, klopt.' 'Dan zou ik maar weer naar huis gaan, mevrouw. De treinen rijden niet, zeker tot tien uur is alles uitgevallen vanwege de sneeuw.' 'Ach, nou, heb ik daarvoor zo gehaast. Dankjewel. Dat is goed te weten. Dan ga ik maar weer.'
Ik glibber terug naar huis en stap de donkere gang weer in. Lichten aan, kachel hoog. Koffie zetten. Appen met collega's: 'Ik kom rond elf uur pas, treinuitval.'
Met een kop koffie in de hand sta ik voor het raam en bekijk de tuin. Die ziet er fantastisch uit. Een plaatje als uit een tuin-magazine, zo romantisch met die sneeuw. Als m'n kopje leeg is, haal ik mijn broodtrommeltje uit mijn tas, leeg 'm boven de snijplank en deel het brood in stukjes. 'Voor jullie, vrindjes'. Ik strooi het uit,  buiten,  over het voederplankje in de boom. Als ik daarna binnen zit, scharrelen en fladderen mijn gevederde vriendjes dankbaar door mijn tuin. De tweede kop koffie is ook op. Kwart voor tien nu. Het wordt tijd om te gaan. Alles weer uit, kachel laag. Jas aan, pet op. Up we go!
Maar eerst: check, check de NS-reisinformatie. 'Wat! Nog steeds geen treinverkeer. Pas om half een vanmiddag rijdt er misschien weer een trein!?'  Ik app mijn collega; de enige van ons team die vandaag kantoor bereiken kon, omdat ze er zo dicht bij woont. 'Ik kom wel, maar vanmiddag.' 'Kom maar beter helemaal niet, Venus. Code oranje/rood voor vanmiddag. Blijf lekker thuis.'
'Blijf lekker thuis?' Een beetje wazig kijk ik voor me uit. 'Niks ervan', moppert een stem in mijn hoofd. 'Vorige week ook al bijna niet gewerkt doordat je ziek was. Er moet gewerkt worden. Uurtje factuurtje. Brood op de plank. Erop uit. Je ziet maar hoe je er komt en hoe je thuis komt vanavond!'  'Uhm...',  oppert een ander stemmetje. 'Wel zo fijn, noodgedwongen thuisblijven, Venus. Want je bent eigenlijk nog steeds stront-verkouden. Kun je lekker met een boek voor de open haard zitten. Extra vrije dag zo, alleen maar goed, lekker uitzieken.'  'Vergeet het maar, je gaat maar. Als je eenmaal op gang bent, is die verkoudheid snel vergeten. Je zal zien, er rijdt heus wel wat...' 'Oh, okay dan....'  Jas weer aan. Tas omgegord. En...  check check NS-reisinformatie. 'Wat! Die paar treinen die gingen tussen de middag zijn ook al uitgevallen?! Nog meer waarschuwingen voor sneeuw-val?! Wordt het zo'n dag?!'
'Je hebt gelijk, collega. Ik blijf thuis. Hoop je morgen weer te zien. '
Ik zet nog maar een kop koffie, zoek een lekker chill album op Spotify en nestel me met een goed boek op de bank voor de open haard. Buiten dwarrelen duizenden sneeuwvlokken mijn tuin in. Romantisch.

vrijdag 1 december 2017

NOG NIET

Afgelopen zomer mailde een vriend van je. Dat het goed met je gaat, dat je terug bent in Nederland na een paar jaar Frankrijk.  Dat hij van je houdt, schreef hij. Je bent belangrijk voor hem.
Je vriend heeft met mij en je vader te doen.  'Het moet vreselijk voor jullie zijn, daarom heb ik gevraagd of het goed is dat ik jullie schrijf.'  Je vond het goed.
Je woont alleen, zoon, in een huis in een dorpje. Dat schreef je vriend. Geen elektra, geen stroom, geen internet. Geen telefoon. Niks wat straling geeft. Want daar word je ziek van, van straling. Daardoor kun je niet veel anders dan in en rond je huis verblijven.  Overal daarbuiten is straling, namelijk. Daarom wordt er voor jou gezorgd. Door de vriend, zijn vrouw en door hun familie. Zoals ik eerst voor jou zorgde, samen met je vader, zo zorgen zij nu voor jou.
'Ga hem maar niet zoeken, Venus,' schreef de vriend.'  'Hij wil je niet zien. Jullie alle twee niet. Nog niet.'
Nog niet. Nog. Niet.
Ik wacht op je zoon.
We wachten op je.
In liefde.

zaterdag 4 november 2017

MEVROUW

Als in een reflex trap ik op mijn rem en zet de motor uit. Gooi de deur open. Trillend van schrik loop ik om de auto heen, naar de jongen die op het fietspad ligt. 'Oh mijn God. Jongen! Jongen! Hoe is het met je!! Oh, wat erg, dit! Hoe gaat het met je?!'
De jongen krabbelt overeind. 'Is er niks met je? Ben je niet gewond? Alles in orde?' 'Mevrouw', zegt hij met die harde straattaal-R. 'Mevrouw, niks aan de hand.' 'Echt niet? Sorry! Sorry. Ik zag je helemaal niet aankomen! Ineens was je er. En hoe is het met je fiets?' De jongen kijkt samen met mij naar de opoe-fiets die nog op de grond ligt. Zo te zien niks aan de hand. 'Geeft niks, mevrouw', zegt hij weer. 'Maar... moet ik echt niks voor je doen?'  De jongen onderwijl pakt zijn fiets op en zonder op of omkijken rijdt hij snel weg. 'He,' roep ik hem na. 'Dankjewel!'
Want ja, ik ben dankbaar. Dat er niks met hem aan de hand is en dat hij niet woedend op mij werd. Want ik leg de schuld bij mezelf. Moe na een heel lange werkdag, suf in mijn hoofd door de honger, stapte ik bij thuiskomst meteen in mijn auto. Even snel eten halen, even snel naar de Appie.
Ik moet last van mijn state of mind gehad hebben, dat ik die jongen helemaal niet had zien aankomen. Ik, die altijd zo truttig en voorzichtig rijd. Zeker in het donker!
Als ik terug loop naar mijn auto die daar eenzaam, schuin geparkeerd op het fietspad staat, zie ik dat mijn voorste kentekenplaat los hangt. Nog op 1 klein haakje hangt hij daar. Helemaal verkreukeld. Ik trek 'm er in een ruk van af en gooi hem achter in de auto. Terwijl ik nog na-bibberend verder rijd naar de parkeerplaats, dringt ineens tot mij door dat de jongen niet bepaald uit medemenselijkheid weg spurtte. Hij moet zonder licht gefietst hebben. Daarom had ik hem niet zien aankomen! Hij was bang voor kosten, omdat hij direct zag welke schade mijn auto had opgelopen.
'Hufter', mompel ik, terwijl ik uitstap en mijn boodschappentas pak. 'Hufter. Wat een trut ben ik toch, meteen de schuld bij mezelf leggen. Typisch wijven-gedrag van me.'

zaterdag 21 oktober 2017

OVERHEMD

Hij was wel vaker lang weg, zelfs eens een jaar achtereen, maar toen bleef zijn kamer ingericht. Wachtend op zijn terugkeer. Nu is zijn kamer leeggehaald. Definitief. Stil en leeg is het er, alleen zijn luchtje hangt er nog.
Zijn kledingkast nam hij niet mee. Er hangen overhemden in die weg mogen. 'Klusje voor mamma', zal hij gedacht hebben toen hij gisteren vertrok.  Ik pak er eentje uit, de donkerblauwe die we ooit samen bij de Bijenkorf kochten. In 2009, toen ik de TwitterDiscoParty organiseerde en hij zo lief was mij te helpen op de dag van het feest. Samen kochten we nog allerlei spulletjes in de Utrechtse binnenstad. Toen we tijd overhadden, struinden we door de Bijenkorf en mocht hij van mij een paar mooie overhemden uitkiezen. Waaronder deze donkerblauwe van een deftig merk. Daarna dronken we thee 'met taartjes' en toen dat op was, togen we met wel tien tassen vol slingers, plastic champagneglazen en nog meer feestelijke rommeltjes, naar de feestkelder aan de Oude Gracht.
Een mooie, vrolijke tijd was dat. Met een zoon die trots op me was. Is hij nog, alhoewel hij me nu inmiddels wel een beetje oud begint te vinden. En zoons van ouder wordende  moedertjes, verlaten het nest. Zo gaan die dingen nu eenmaal.
Ik hang het overhemd terug, sluit de kast en verlaat de kamer. Dat weggooien van zijn achtergebleven kleding komt een andere keer wel. Eerst maar een kopje thee zetten voor mezelf.

dinsdag 19 september 2017

BLAF PAF

'Ik laat een spoor van E-dogs achter. Overal waar ik kom, alle dorpen waar ik doorheen fiets en waar die honden achter me aan lopen te happen, aan mijn broekspijpen gaan hangen, niet een keer, maar wel twee of drie keer, bel ik de politie! En vaak helpt het. Politie gaat naar de eigenaar. Die moet er wat aan doen anders wordt hij beboet.  Krijgen ze een blafband om, die honden!'  'Een blafband?' 'Ja, een blafband. Elke keer als zo'n hond blaft, krijgt ie een stroomstoot. Dan houdt 'ie zijn kop wel eventjes...'  'Woooh, echt?' 'Ja hoor. Echt.' 'Stel je voor: kom je aan fietsen over zo'n dijkje, hond in de verte rent naar je toe langs de weg en wil je grijpen. En dan gaat het van:  'blaf! Paf! Stroomstoot.' Ik schiet in de lach, zie het voor me. 'Jahaa, Venus: a real 220 Volt Doggie!'
'Dat hadden ze vroeger moeten doen', zeg ik, 'toen ik postbode in het dorp was. Al die rothonden die op het erf bij de boerderijen liepen en in mijn poten wilden bijten als ik de post wilde ingooien. Ik scheet in mijn broek voor die beesten. Kwam er weer een op me afgestormd. Slijmerig schuim om die grote, blikkerende tanden. Happend naar mijn jonge meisjes benen.' Ze doen niks hoor', zei zo'n boer dan. 'Ja, ja...' dacht ik dan. Als het niet anders kon, bezorgde ik de post er niet. Nam het gewoon weer mee naar het postkantoor. Dan belde mijn baas op naar de boer en kon hij het ophalen. Dan ging het wel weer een tijdje goed.  Hielden ze de hond aan de ketting of ze deden het hek dicht. Tot dat ik dan weer eens aangefietst kwam en vanuit de verte al zag dat het hek toch weer open stond. Of dan zag ik zo'n loeder al weer vanuit het weiland naar het erf toerennen. Op weg naar... mij.
Zou toch geweldig geweest zijn als er toen blafbanden waren. Bij elke aanvallende boerderijhond: ' Blaf! Paf! Blaf! Paf!'

woensdag 6 september 2017

ZO HEEL VER WEG

'We laten nog steeds een plekje voor haar open, he?' Ik tik met mijn hand op de leegte tussen ons in. Precies de ruimte waar ze gewoonlijk lag, lekker warm opgerold, op de bank als we 's avonds samen een filmpje keken. Mijn man en ik naast elkaar en Snorro tussen ons in. Lekker warm hoopje poezenbeest.
Af en toe een aaitje, een kriebel. Dan draaide ze eventjes om, keek lief naar ons op. Soms een likje op mijn hand. Of een pootje op de hand van mijn man,  wat betekende: je mag best nog wat langer kriebelen, hoor.
Leeg is het. Al zes weken, bijna zeven weken missen we haar. Haar begroetingsritueeltjes 's ochtends. Als we 's avonds naar bed gaan en de tuindeur sluiten, voelt het nog steeds zo gek dat ze niet snel naar binnen rent. Stilte buiten. Soms lijk ik haar te zien, in de donkere achtertuin.
We sluiten de kamerdeur nog steeds, als we naar bed gaan. Omdat ze altijd beneden moest blijven 's nachts. Omdat ze de laatste jaren zo hard miauwde, doof en een beetje bang.
Als ik wakker word, denk ik vaak aan hoe ze me kwam halen. Trippelend over het laminaat in de slaapkamer. Naar boven starend, naar mij in het hoge bed. Te hoog voor haar om op te springen met dat oude, stramme lijfje. Dan aaide ik haar over dat kleine koppie van d'r en liet me door haar verleiden op te staan.
Al zes, bijna zeven weken ligt ze begraven in de achtertuin. Op haar lievelingsplekje, onder de Japanse Kers. Onder het heuveltje vol met varens. Drie kristallen stenen liggen op haar graf.  Zo is ze nog steeds heel dicht bij ons. En ook zo heel ver weg.

dinsdag 29 augustus 2017

DE UITZENDKRACHT

Hij mompelt binnensmonds, zo zachtjes praat hij dat we hem haast niet verstaan. We herhalen onze vraag. Nerveus tikt hij op zijn apparaatje, checkt of er notenkoeken zijn vandaag. 'Even navragen, momentje hoor.'  En weg is hij. Na een minuutje komt hij weer naar buiten. 'Nee, sorry, helaas, vandaag is er geen notenkoek.' We houden het dus maar bij een kop thee. 'Twee Chai, met melk en Kardemon, graag.'
Na een minuut of vijf komt hij terug. Met twee grote theeglazen vol heet water, voor gewone thee. 'Uhm, we hadden Chai besteld.' 'Oh, excuses. Komt goed.' Na een paar minuten zitten we aan de Chai. Heerlijk, in het zonnetje op het terras bij de sauna. Het is prachtig weer vandaag en er zijn nog weinig gasten. Opmerkelijk genoeg staan op alle tafeltjes bordjes met: 'gereserveerd.'  'Die reserveringen zijn voor de lunch. Voor over een paar uur.  U kunt daar evengoed gewoon gaan zitten hoor.'
'Nieuw beleid, zeker', concluderen mijn man en ik.
Eind van de middag, vijf uur: weer al die bordjes op de tafels. 'Dat is voor gasten die netjes hebben gereserveerd voor het diner, mevrouw.'  Dan gaan we maar binnen zitten om een sapje te drinken. Geduldig wachten we maar worden niet bediend omdat al het personeel gericht is op de gasten buiten. Wij zitten en kijken.
'He, daar is de ober weer, die van de Chai'. Haastig zet hij een blad vol gebruikt servies en glaswerk op de bar. 'Wie zet dat blad nou hier neer', snauwt een collega.  De ober snelt naar buiten en verzwijgt dat hij het was. Zuchtend ruimt zijn collega het blad op en fluistert met andere obers over 'die uitzendkracht.' En ik hoor ze ook mopperen over de receptionistes die blijkbaar niet alle gasten hebben geinstrueerd over de plicht te reserveren voor het eten.
Mijn man en ik gaan maar naar het zwembad. Binnen worden we toch totaal over het hoofd gezien. Buiten gekomen zien we de inmiddels dodelijk vermoeide uitzendkracht lege glazen ophalen bij de bedjes, een eind van het terras af. Hij maakt een ontredderde, eenzame indruk. 'Moet hij de eters niet bedienen', vragen wij ons af. 'Het lijkt wel alsof hij het ontvlucht is. Of hebben zijn collega's hem weg gestuurd?'
Het is inmiddels tegen acht uur en we gaan weer even naar binnen om te vragen of 'zij die niet hadden gereserveerd'  -  wij dus -  toch mogen dineren. 'Ja, hoor, dat kan straks, na achten komen er weer plaatsjes vrij. ' 'Okay', zeggen wij en gaan maar weer zitten wachten. En kijken. Een vrouwelijke ober komt met een boos gezicht naar binnen en zegt dat dit echt zo niet kan met die uitzendkracht. 'Hij heeft bij tafel 38 verkeerd eten gebracht.' Haar chef knikt en gaat door met het spoelen van de glazen. Daar komt de uitzendkracht weer aan. Zich van geen kwaad bewust zet hij het blad vol vuil servies nu netjes op een plank bij de keuken. Er valt een vork op de grond. En een bord. Beschaamd pakt hij het snel op en wil weglopen. Maar de chef komt vanachter de bar op hem af gestapt. 'Wat heb ik nou aan jou', snauwt hij.  Het gezicht van de uitzendkracht is asgrauw nu. Met neergeslagen ogen loopt hij weer naar buiten.
We mogen eten, gelukkig en kiezen voor binnen. Buiten is het toch wat frisjes geworden en veel tafels zijn nog niet afgeruimd. We zetten ons neder en worden bediend door de leden van het vaste personeel.  'Is conform het nieuwe beleid, inderdaad', legt een van hen ons desgevraagd uit, ' dat onderscheid tussen binnen - en buitenpersoneel. En we willen liever niet dat onze gasten zomaar ergens gaan zitten en niet vooraf reserveren.' We bestellen. Daarna gaat alles mis. We krijgen een verkeerd voorgerecht en een klein glas sap in plaats van een groot glas. Het duurt enorm lang voordat we ons hoofdgerecht krijgen. We verwachten eigenlijk wel een gratis drankje als goedmakertje, maar nee hoor, niks van dat alles. Het lijkt erop dat het personeel wel een beetje klaar is met de gasten voor vanavond. Wij - de late binnengasten - hangen aan de achterste speen, blijkbaar. We besluiten geen toetje te nemen. Uit protest.
'Misschien moeten ze hier Gordon Ramsey eens bellen', mopperen we onderling en ook als we vertrekken en afrekenen,  uiten we ons ongenoegen over de bediening bij de receptie. Niks voor ons, zoiets te doen, maar goed, gezien de hoogte van de rekening voor het eten en drinken hebben we best een beetje recht van spreken, vinden we.
Als we de sauna verlaten, zien we de uitzendkracht vertrekken op zijn scooter. Hij heeft een werkdag van zo'n 12 misschien zelfs wel 13 uur achter de rug.