zaterdag 21 april 2018

ESCHER-TRAPPETJES

'Oeps, ik ga te laat komen... Sorry, nu moet ik echt weg. Eigenlijk had ik er tien minuten geleden al moeten zitten.' Schuldbewust bel ik David, de collega van Financien: 'Hoi, met Venus, je nieuwe collega van HRM. We hadden een afspraak om vier uur maar het liep net uit. Ben ik nog welkom?' 'Tuurlijk, ik wacht op je, tot zo.'
Ik zoek snel de sheets met formatie, bezetting en begroting, zet ze open, koppel mijn laptopje los, duw hem onder mijn arm en spoed mij richting gang. 'Rechtsaf, Venus', lachen mijn collega's achter me. 'Niet links! Maar rechts.' 'Okay, thnxx.' Snel verplaats ik mijn gewicht en zwenk naar rechts.
Zo, nu snel snel, opschieten maar. Arme David, die zit al bijna een kwartier op mij te wachten. Ik snel door de lange hal, ga links af. Deuren zwenken open, woesh, dat is alleen hier, op mijn verdieping, op de tweede van het Tuinhuis. Omdat hier tot voor kort een vrouw werkte die in een rolstoel zat, heb ik me laten vertellen. 'Aha, dat verklaart alles. Weet je dat ik in het begin bij alle gangdeuren in het Tuinhuis op de knoppen naast de deur drukte, omdat ik dacht: waarom zwenken ze niet vanzelf open? Zette ik steeds per ongeluk het licht uit.' 'Haha, die Venus.' 'Ja, en dan hoorde ik uit de kamertjes roepen: 'He, wie zet daar het licht uit?!'
Vanuit de overdekte overbrugging beland ik in het oude Raadhuis. Nou ja, oud. Het is gebouwd in de jaren '80 en dat is te merken. Want toen dacht men anders over contact met de burgers, transparantie of flexwerken. Het Raadhuis is donker, naar binnen gekeerd, er zijn geen kantoortuinen maar kleine bedompte kamertjes. Het is in een kwadrant gebouwd, een soort ringweg om het Tuinhuis heen. 'Het Raadhuis was er eerst, tien jaar geleden is het Tuinhuis gebouwd, op de voormalige patio. In de binnentuin dus. Zou tijdelijk zijn, maar werd blijvend,' vertelde mijn teamleider tijdens de rondleiding op mijn eerste werkdag.
Het Raadhuis voelt voor mij als een ringweg want daar kun je uren rondjes rijden, als je niet op tijd de afslag neemt. Of je belandt in een heel andere wijk dan je dacht. Bij Artis, terwijl je dacht dat je in Zuid zou belanden bijvoorbeeld. Wat het gebouw binnen zo verwarrend maakt is dat de gangetjes kronkelen en soms zelfs in rondjes lopen om kolommen of kamers.
Anyway. Ik loop dus gehaast door deze bijenkorf, nee, deze honingraat. Nee, door dit gebouw dat eruit ziet als de tekeningen van Escher!
'De architect die dit ontworpen heeft... vermoedelijk was hij net doende een geestesziekte te ontwikkelen of zo iets', heb ik al meerdere keren gedacht als ik weer eens drie rondjes om een kolom had gelopen en me dood schaamde voor de collega's die mij - in hun warme, donkere, naar binnen gekeerde kamertjes -  voor de derde keer voor bij zagen lopen.
Nu moet ik van twee naar drie hoog. Ik wist niet dat er een drie hoog in dit gebouw was, dus dat wordt een leermomentje, ik voel 'm aankomen. Drie elf is het kamer nummer. Ik besluit slim te zijn en me eerst een weg te slingeren naar kamer twee elf. Vandaar uit moet het makkelijk zijn, gewoon recht omhoog via zo'n verscholen Escher trappetje  et voilĂ ! Dan  moet ik wel ergens bij drie elf uitkomen. Na enkele minuutjes heb ik zo'n trappetje gevonden! Met grote stappen ga ik naar boven. Dan sta ik in een verlaten trappenhal. Links een deur, rechts een deur. Allebei afgeplakt met zwart plastic. 'Huh, wat is dit nu weer?' Ik probeer door de kieren te kijken of ik daarachter leven zie, maar er is niks te zien. Alles is zwart. De deuren blijken ook nog eens hermetisch gesloten.
Rap daal ik weer af naar de tweede. Enkele slingerpaadjes verder en een Escher-trappetje later gebeurt me precies hetzelfde: weer twee afgesloten deuren op drie hoog. Afdalen maar weer! Via enkele kronkelpaden beland ik uiteindelijk in de Raadzaal. Gelukkig! Daar staat De Bode! En De Bode weet Alles! 'Weet u waar kamer nummer drie elf is?' 'Ja, helemaal aan de andere kant van het gebouw, kijk, daar.'  Als hij met mij voor het raam gaat staan, zie ik dat er aan deze kant van het gebouw helemaal geen derde verdieping is! De afgeplakte deuren van zojuist leiden naar het dak. Weer wat geleerd! Drie elf ligt niet pal boven twee elf! Het ligt aan de andere kant van het gebouw!
'Dankjewel', zeg ik en ren adrenaline-gedreven via talloze kronkelpaden naar de andere kant van het gebouw. Vraag nog even snel een passerende dame of ik echt op de goede weg richting drie elf zit. 'Ja, kijk, daar moet je de trap op.'
Als ik op de derde ben, zie ik Godzijdank direct kamer drie elf. Ik schiet naar binnen. 'Duizend excuses!'  Ik schud David de hand. 'Sorry, ik vind dit echt zo gĂȘnant. Ik verdwaal hier de hele dag door.' En ik vertel over mijn avonturen van zojuist. David lacht. Hij is ook nieuw. Werkt hier nog maar een paar maanden. 'Naar het schijnt, duurt het zo een jaar voordat je hier zonder verdwalen de weg vindt, Venus. Maar mijn stappenteller is er blij mee', en hij toont mij het aantal stappen van die dag. Ruim 7000.' Yes, zeg ik, bij mij net zo! 7000 per dag op kantoor!' 'Join the club, Venus.'
Zuchtend ga ik zitten en klap mijn laptopje open, we buigen ons over overzichten met personele bezettingen, formatie en begroting. Kijk, dat begrijpen we tenminste.

zaterdag 7 april 2018

KORTING

‘Bent u toerist?’ ‘Ja’, knikken we. ‘Dan kunt u een toeristenkaart krijgen. En met die kaart krijgt u bij elke aankoop tien procent korting. Wilt u er eentje?’ ‘Nou, vooruit dan maar, laten we eens gek doen, zeggen we tegen elkaar.’ ‘Si, por favor’, zeggen we tegen de tassen-verkoper van El Corte D’Ingles. ‘Dan wacht ik even met afrekenen, haalt u eerst uw toeristenkaart maar.’
We voegen de daad bij het woord en lopen naar een balie achter de afdeling met parfum en make-up. De dame die ons aan de kaart helpt, spreekt perfect Engels. ‘Hij is vijf dagen geldig en als u iets koopt, gaat er tien procent van de  vorige aankoop af.' 
We gaan terug naar de tassen-afdeling, alwaar ik kies voor tien procent korting op de rode rugtas. Niet op het portemonneetje, die kost nog geen tientje. De tas is beduidend duurder. De verkoper krijgt het helemaal warm van de ingewikkelde transactie op de kassa en het andere apparaatje voor de toeristenkaart. Na een kleine vijf minuten toont hij mij de kassabon voor de tas en de aparte bon voor de verrekening van de korting. Plus ook nog de kassabon van het portemonneetje, dat hij apart afrekenende. Hij houdt zijn vinger onder de korting. ‘Kijk, dit krijg je de volgende keer terug.' ‘Gracias’, lachen we en verlaten El Corte weer.
‘Dus, als ik de volgende keer hier weer iets koop, als toerist zijnde, gaat er tien procent van negen euro vijf en negen af? Nog geen euro. Nou, vet zeg. Ik denk niet dat ik daarvoor terug kom om hier iets duurs te kopen.’
De rest van de week komen we niet meer in El Corte. We bezoeken andere winkels en zelfs andere stadjes en dorpen, waar ze helemaal geen El Corte hebben.
Zo’n dag of acht na de aanschaf van de toeristenkaart, bezoeken we echter El Corte weer. Het is onze laatste vakantiedag, morgen weer naar huis,  dus kopen we cadeautjes voor ons zelf. Als aandenken. Ik een eau de toilette met de geur van sinaasappelbloesem. ‘Ruik eens, de geur van de Sevilla.’  Zo heet het luchtje ook, zie ik op de verpakking.
De verkoopster vraagt naar mijn El Corte toeristenkaart. Ik weet dat hij is verlopen. ‘Maar, ach wie weet doet hij het toch nog,’ mompelen mijn man en ik tegen elkaar.
Ik overhandig dus mijn verlopen toeristenkaart. De verkoopster rekent eerst het geurtje af en houdt direct tien procent korting in.  Om de korting te valideren, haalt ze daarna mijn toeristenpas door het apparaatje. Geen sjoege. De verkoopster kijkt verbaasd. ‘Eens kijken wat er nu gebeurt…’ lispelen we. Weer haalt ze ‘m erdoor; weer geen pukkel. Wij mompelen tegen elkaar, dat het gek is dat het apparaat niet aangeeft of de kaart nog wel geldig is. Nu moet zo’n verkoopster maar raden wat het euvel is. Zij wrijft inmiddels mijn kaartje driftig over de mouw van haar colbertje,  ademt erop en wrijft nog eens. Weer geen succes. Het apparaat reageert niet.
De verkoopster haalt haar collega’s erbij, een blonde en een roodharige. De blonde pakt de toeristenkaart van haar over en haalt ‘m er door. Weer niks. En nogmaals. ‘Nou zeg, dat is me ook wat...’maar dan in het Spaans. Dan richt de verkoopster zich tot mij en legt in het Spaans uit dat mijn kaart het niet meer doet - ze weet ook niet hoe het komt -  en dat ik maar een nieuwe moet halen. ‘Ah’, zeg ik, ‘okay’. Snel loopt ze voor me uit en ik drentel achter haar aan naar de balie achterin, alwaar een wederom perfect Engels sprekende medewerkster een nieuwe toeristenkaart geeft. En een bonnetje overhandigt waarop staat dat ik bij een eerstvolgende aankoop tien procent korting krijg. Het is het kortingsbedrag op het flesje eau de toilette. Het bedrag dat ik zojuist ook al terug kreeg.
Met een big smile loop ik terug naar mijn man. ‘Zeg, als ik nu nog iets anders koop, krijg ik weer dat bedrag terug dat ik net ook al terug heb gekregen.’ Hij knikt en kijkt op zijn horloge. ‘Zeg Venus, wat denk je. Het afrekenen van dat geurtje nam ongeveer een kleine twintig minuten in beslag en er zijn zo’n vier mensen mee bezig geweest. En ik heb hier ondertussen aardig wortel staan schieten. Laten we lekker naar buiten gaan, het zonnetje weer in.’

We verlaten El Corte en gaan naar buiten. Ik snuif. ‘Heerlijk, ruik je dat? Sinaasappelbloesem.’  

maandag 2 april 2018

BEVANGEN

We lopen door de stad en volgen gewoon de rest. De jonge ouders met kinderen in witte jurken en capes en de mannen en vrouwen met de groene puntmutsen. Ook in lange jurken met capes. De keurige kerkelijke mannen in pak met stropdas, de jonge jongens in driekwart broek met blazer, hun haar in een zijscheiding gekamd met een dot brylcream.
En voor we het weten staan we voor een prachtig oud kerkje in een wijk in Sevilla. De parochianen verzamelen zich hier. Keurig geklede mensen zijn het, jong en oud. De pastoor met zijn lila mutsje en dito cape komt naar buiten, omringd door mannen in pakken, ze houden elk een zilveren staf vast.
Veel geklets en omhelzingen onder de mensen. 'Zien en gezien worden', zegt mijn man. Ik knik. 'Ze hebben alleen erg in elkaar, we kunnen rustig foto's van ze maken, ze merken ons helemaal niet op.'
Het is Semana Santa, de week voor de Paasdagen. Elke dag is er een processie, ook vandaag, op Goede Vrijdag. Het is de derde deze week die we van nabij meemaken. De eerste in Merida, een stadje in de Extremadura, de tweede in Cadiz, een stad aan de zuidkust en deze, de derde, is in Sevilla.
We weten inmiddels hoe het werkt. De fanfare verzamelt zich. De mensen die meelopen in de processie stellen zich op in een lange rij tussen de hekken, kleine kinderen in jurkjes die snoepjes uit gaan delen staan bij elkaar;  jongeren en volwassenen met puntmutsen die hun gezichten bedekken staan bij elkaar. Ze beginnen te lopen als de muziek begint. Deze keer dragen de volwassen processie-gangers geen schoenen. De meesten lopen blootsvoets, sommigen op sokken.
Processie marsen speelt de fanfare. Hard en gepassioneerd. Veel koper.
Een donderende trom klinkt vanuit een andere straat. Bom. Bom. Bom. Opzwepend. Iedereen kijkt tegelijk die kant op. Daar gaat het gebeuren.
RTV Andalusie staat ineens vlakbij me, op de stoep, de reporter, een mollige vrouw, leunt tegen het hek, schikt haar rode krullen en stift snel haar lippen. Zegt iets tegen de cameraman. Ik voel de lading nog meer toenemen. Blijkbaar weten de mensen dat het zover is: de baar komt eraan. De trom klinkt nu heel dichtbij. De reporter begint haar verhaal, de cameraman filmt en ja hoor, achter haar zie je de baar verschijnen, ze komen de bocht om.
Het is niet, zoals ik had verwacht, Jezus. Het is Maria. Het beeld staat op een rood fluwelen kleed dat over de baar is gedrapeerd. Gouden staanders en gordijnen van brokaat vormen de baldakijn. Voor het beeld staan honderden grote lange kaarsen, boeketten van witte bloemen in zilveren bokalen. Om de dertig a veertig meter stopt de baar, dan kunnen de dragers rusten. Als de trom weer begint, lopen ze verder.
Mijn man staat aan de overkant en maakt foto's. Ik maak ook foto's met mijn mobieltje. Mensen stoten nu tegen me aan, duwen me bijna omver om maar mee te kunnen lopen, gelijk op met de baar. Ik moet moeite doen om te blijven staan. Ze hebben alleen nog maar oog voor haar, voor Maria.
Aan de overkant van de straat staat een jong stel op balkon. De vrouw heeft een bakje in haar handen. De jongeman staat als in trance. Als de baar onder zijn balkon is, pakt hij bloemen uit het bakje en werpt ze naar Maria. Hij roept haar. Slaat een kruis. Ik zie een grote emotie over zijn gezicht trekken. Hij geeft een snik, bloost en wordt bleek tegelijk. Het raakt hem diep in zijn hart. Hij is bevangen. Hij veegt over zijn gezicht, zijn betraande ogen. Zijn armen langs zijn lichaam nu. Hij wil nog iets doen en weifelt. Dan pakt hij nog een paar bloemen en gooit ze weer in een grote boog naar Maria. Roept weer iets naar haar. Daarna blijft hij staan, in zichzelf gekeerd. Zijn vrouw opent de balkondeur en gaat naar binnen. Hij stapt achter haar aan en sluit de deur.
Dan raakt de baar uit zicht, verdwijnt achter de bomen, achter de huizen. Mijn man steekt over. De cameraman zet de camera uit, de reporter bergt haar microfoon op. Samen lopen ze voor ons uit naar hun auto.

zondag 1 april 2018

WILDVLEES

De deur wordt met grote kracht opengeschoven. 'Zo, waar gaat de reis naartoe?' Slaapdronken kijk ik op en zie de grote, brede kaalhoofdige man naast het busje staan. In zijn zwarte, lederen jas. Indringend kijkt hij terug en ik begrijp dat hij tegen mij sprak, zojuist. 'Uhm, naar Sevilla', lispel ik. Hij antwoordt niet, maar blijft me aankijken. 'Ach, u wilt er door?' Ik schuif naar het midden van de achterbank zodat hij erdoor kan. Met grote kracht duwt hij de rugleuning van de stoel, waarop ik eerst zat, naar beneden en klimt het taxi-busje in. Zijn gewicht doet het busje wiebelen. In zijn kielzog klimmen twee blonde vrouwtjes naar binnen. Meer zie ik niet van ze, zo in het donker, dan dat ze klein en blond zijn. Het is nog maar net aan vijf uur in de ochtend en ik ben zo suf als een konijn door het slaapgebrek. Om half vijf opgehaald tenslotte door de taxi. En nu moesten we deze mensen ook nog even ophalen, naar onderweg bleek.
De taxi-chauffeur klimt weer achter het stuur. Ik zit nu pal achter hem, op de bank midden in het busje. Ik ben maar helemaal naar links geschoven, zodat ik tegen de deur kan leunen. Mijn man zit rechts van hem, voorin, op de passagiersstoel.
De drie mensen achter mij kennen de chauffeur goed; ze beginnen direct over mijn hoofd op luide toon tegen hem te praten. Ik sluimer verder. Mijn man is ook stilgevallen en dommelt wat. We zoeven over de donkere snelweg richting Schiphol en luisteren naar het gesprek in het busje.
'Dat is me wat, he?' zegt een van de vrouwen, 'met Danny's teen. Die ingegroeide teennagel.' 'Ja', bromt de chauffeur. 'Ik zei nog zo, ga er weer mee naar de dokter. Maar die doet niks, volgens Danny. Dus ik zeg: dan ga je naar een andere huisarts.' 'Ja. Hij moet er wel wat aan doen, want hij kan er zelf niet meer bij. Door al dat wildvlees tussen zijn tenen. Hij kan het niet zelf doen', vindt de blonde vrouw.  'Het doet onwijs veel pijn, denk je ook niet.' Zeker, maar hij is echt een eigenwijs stuk vreten', zegt de chauffeur. 'Ik heb het al zo vaak met hem besproken. Hij gaat gewoon door met dat zere poot.'
Ik begrijp dat het over zijn zoon gaat, Danny, die een ingegroeide teennagel heeft die wordt overwoekerd door wildvlees. En dat hij pijn heeft maar er niks aan doet. 'Weet je, hij moet gewoon naar de huisartsenpost en de Eerste Hulp gaan en zeggen dat hij het niet meer houdt van de pijn' oppert het blonde vrouwtje nu. 'Dan moeten ze hem wel helpen. Niet meer naar die huisarts van hem gaan hoor. Die huisartsen doen toch niks. Die doen echt helemaal niks meer tegenwoordig.'  De chauffeur vindt het een goede suggestie. 'Ik zal 't tegen Dan zeggen.'
We zijn er: de vertrekhal. De man achter mij duwt de rugleuning naar voren en laat de twee blonde vrouwtjes uitstappen. Dan klimt hij zelf naar buiten. Ik wacht tot ze buiten staan en ga dan ook het busje uit. Mijn man staat al buiten en betaalt de chauffeur.
Nu zie ik het drietal goed, zo, in het licht van de hal achter ons. En nu pas zie ik dat het moeder en dochter zijn, die kleine blonde vrouwtjes. De man in de lederen jas betaalt de chauffeur niet. 'Fijne vakantie, he', zeggen de vrouwtjes tegen ons. 'Dankjewel, jullie ook.' Nog steeds slaapdronken stommelen we naar onze incheckbalie.

zondag 18 maart 2018

A.I. EIGENSCHAPPEN

Nog een dag te gaan en dan is het over. Een jaar lang werkte ik er. Wat is het snel gegaan dit keer. Wat is er veel gebeurd. En wat ik heb er weer veel geleerd. Over de organisatie, de manier van werken, de samenwerking, de cultuur van deze plek, de mores in deze tent zeg maar. Die weer zo heel anders was dan die van de vorige tijdelijke werkplekken. 
'Toch best knap hoe ik daar steeds mijn weg in vind en ook nog eens een zinvolle bijdrage lever', dacht ik laatst niet geheel onbescheiden.  'Hoe flik ik het toch telkens weer? En al die andere interimmers, hoe doen wij dit toch eigenlijk; wij, interim-volkje? We moeten toch bepaalde eigenschappen hebben die anderen blijkbaar niet of in mindere mate bezitten?' Want lang niet iedereen kan dat: ergens binnen komen, alles snel oppakken en dan ook nog een meer dan zinvolle bijdrage leveren; klussen oppakken die anderen lieten liggen bijvoorbeeld. En dan wel doorpakken! 
Na enig online speurwerk naar onderzoek naar de ideale interimmer,  vond ik die eigenschappen en ja, heel verrassend, die zijn mij op het lijf geschreven. Interimmers blijken extraverter, minder mild en minder ordelijk te zijn. Ook communicatieve vaardigheden en een analytische kijk op de zaak blijken de rode draad te vormen. 
Een interimmer heeft ook een bepaalde afstand, vanwege de tijdelijke status. Hierdoor kan en moet hij of zij als het nodig blijkt, steviger optreden. 
Daarom moeten ze een interimmer nooit vragen om te blijven. En ja, heel vaak vragen ze dat wel omdat ze zo tevreden zijn en je niet willen laten gaan.
Een keer ben ik gezwicht en dat voelde helemaal niet goed. Ik miste de distantie. Binnen een paar maanden heb ik dat dienstverband maar weer snel opgezegd. Vertel dat maar eens aan al die mensen die smachten naar een vaste baan. Dat heb ik dan ook maar niet gedaan.  
Morgen dus mijn laatste dagje. Nog even buffelen, een overdrachtsdocument schrijven, een paar uurtjes extra werken en dan laat ik alles met liefde weer los. Op naar de volgende opdracht! 



zaterdag 10 maart 2018

ORDENINGSNEED


Elk jaar weer kom ik mezelf tegen. Wat ben ik toch een chaoot! Want waarom in Godsnaam schrijf ik mijn facturen onder zulke rare namen weg? De factuur over mijn gewerkte uren mei 2017 heet bij mij maartfactuurmei2017.
Ja, ik snap het wel: gewoon geen erg in gehad bij het wegschrijven. Even snel van: 'Hup, gegevens invoeren.  Maand erbij typen. PDF-je van maken. En... verstuur!'
Zo kan ik dus nooit simpelweg alles in een mail hangen en doorsturen naar Jaap, mijn boekhouder. Voor de jaaropgave. Want Jaap snapt daar natuurlijk geen jota van, van al die facturen met die niet kloppende namen. Dus  moet ik elke factuur die ik toevoeg, eerst openen om te  kijken over welke maand 'ie ook alweer ging. En een toelichting schrijven: 'De factuur van mei lijkt die van maart, maar is toch echt die van mei'.
Nog zoiets. Op mijn laptop staat een handig mapje: 'Facturen Venus'. Vorig jaar - na wederom veel facturen-leed - gemaakt door mijn man. 'Da's handig, Venus. Dan sla je elke maand je factuur hier in op, he, en hoef je ze er alleen maar uit te halen, voor de jaaropgave. Een druk op de knop en klaar.' Maar na twee maanden sloeg ik mijn facturen al niet meer in dit mapje op. Wat zeg ik, ik heb er eigenlijk nooit iets in opgeslagen. Er zit welgeteld een factuur in: alleen diegene die mijn man er in heeft opgeslagen. De rest staat her en der verspreid, op mijn PC van het werk of op mijn laptopje thuis. En ze hangen ook nog eens in mails, maar dan ook weer vanuit verschillende mailadressen verstuurd.
Het rare is dat ik elk jaar weer denk,  dat ik het voorgaand jaar alles echt keurig heb geadministreerd. Want mijn opdrachtgever betaalde elke maand netjes uit, dus ergens deed ik toch iets goed. Maar als ik alles uit de digitale schoenendoos moet plukken voor Jaap, blijkt het toch weer een grote onontwarbare bende te zijn.
Ooit deed ik eens een IQ-test. Lang geleden, ik was 25 jaar geloof ik. Een van de dingen die daaruit voortkwam, was dat ik een extreem lage ordeningsneed had. Betekent dat ik weinig tot geen behoefte had aan orde. Staat voor mensen met een hoge creatieve intelligentie. Er stond bij dat de ordeningsneed gewoonlijk gedurende een mensenleven hoger wordt. 'Vast omdat je er zo'n last van hebt, als je steeds maar weer alles moet zoeken en uitzoeken. Dus dan ga ik mezelf hierin vast verbeteren,' dacht ik opgelucht.
Gelukkig heb ik nog een heel leven voor me.

zaterdag 3 maart 2018

DE VLAG

Wachten op de bank, in mijn badjas. Slippers aan mijn voeten. Geen tijdschriften bij de hand, dus noodgedwongen kijk ik om me heen. Zie haar lopen, met haar gespierde armen, zo gespierd, dat ze helemaal een beetje krom staan. Net als haar benen, ook een beetje krom! 'Naaaah', denk ik, 'naaaaah... dat is vast niet mijn masseuse. Zo'n gespierde bonk.'
'Venus', roept ze en kijkt vragend rond. 'Ja! Hier! Dat ben ik,' piep ik terwijl ik opspring. 'OMG' denk ik, 'ik word zo gemasseerd door de vrouwelijke versie van Popey! Nee! Van Atilla de Hun.'
Ik hang mijn badjas aan het knaapje, schop mijn slippertjes uit en ga op de massagetafel liggen.  'Ja, goed zo, hier je hoofd. Een sportmassage had je gevraagd he?' 'Ja, klopt, ja, maar ik hoef niet zo'n heel stevige hoor, ha ha. Kuch.' 'Mmmm mmmm, want je had een paar stressvolle weekjes achter de rug, toch?' 'Ja, ha ha, zo had ik het wel doorgegeven aan de receptioniste. Ja.'
Voordat ik heb kunnen bedenken dat ik nu nog de sportmassage kan ruilen voor een ontspannende, heeft ze al een spier in mijn linkeronderbeen te pakken. Gotver! Vuur! Fikken! 'Tsjeessss', sis ik. Maar ze praat direct aan een stuk door, zonder ademhalen. Over dat ze op paaldansen zit en meedoet aan het NK.  'Niet erotisch paaldansen hoor, dat is niks voor mij. Je ziet, ik lul gewoon lekker door, he,' grapt ze terwijl ze nu iets met mijn hamstring doet. Gewoonweg niet te verdragen, zo pijnlijk. Ik sis nog steeds tussen mijn tanden. 'En toen deed ik net De Vlag, komt die van de gemeente binnen, hang ik daar in dat roze pakje.'  'Huh huh', kreun ik. 'De Vlag', denk ik onderwijl, 'De Vlag? Gotsamme! Ik zie het voor me. Atilla, zich vastklemmend met die twee sterke handen aan die paal, de rest van haar body horizontaal gestrekt, als een roze vlag,  strak geblazen door een straffe Poolwind. Zo moet het eruit zien: De Vlag.
Dan is mijn onderrug aan de beurt en de massagetafel onder mij buigt helemaal een beetje door, zo'n pressie.
Daarna zijn mijn armen aan zet. Daar zit blijkbaar eenzelfde soort spieren in als in je benen. Maar dan nog gevoeliger! Een en al vuur en fik en vlammen. Ik sis door.
De verhalen onderwijl gaan ook door. Nu weer over het sportzaaltje waar ze oefent. Dat gaat over twee weken dicht. Probleem: ze zitten net voor het NK. ' Dan gaan we gewoon bij mij in de stal oefenen op de boerderij. Zet ik een paar palen in de grond, goed vastmaken natuurlijk he.'   'Gosh...' kan ik alleen maar denken. 'Zet ze zo ff een paar van die palen in de grond?!'
'En draai je maar om.'  Lijdzaam ga ik op mijn rug liggen. 'Nu gaat er nog meer pijn komen, maar dan aan de voorkant,' denk ik.  'Nee, joh, gekkie.  Sta maar op. Je bent klaar. Het uur is voorbij.' Ik spring van de tafel.
'Lekker ontspannen nu, he?' grijnst ze terwijl ik mijn badjas aantrek. 'Ja, heerlijk', grijns ik terug en dans een komisch dansje. 'Alle stress is weg. He-le-maal'  Ze schudt me de hand. Stevig, uiteraard. Ik wens haar veel succes met de kampioenschappen en loop terug naar het buitenzwembad alwaar mijn man rond dobbert. 'Aha,' denk ik, 'ik ga hem vragen of hij weet wat dat is: De Vlag!'